Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men behoeft werkelijk geen fijnen neus te hebben, om waar te nemen of men 6 kilogram meer of minder optilt. Wij kunnen immers een leeg boterhammentrommeltje reeds op het gevoel van een vol trommeltje onderscheiden, hoewel het gewicht van een dikken boterham niet meer bedraagt dan ongeveer 100 gram. Met eenige oefening — en die bezit de vogel immers in ruime mate — kunnen wij het trouwens nog heel wat verder brengen. Zoo is het feit van algemeene bekendheid, dat postambtenaren niet alle brieven nawegen, maar alleen die, waarbij zij op het gevoel in twijfel zijn, of zij dubbel gefrankeerd moeten worden dan wel niet.

Het fijne reukzintuig van het boomkruipertje bestaat dus eveneens alleen in de fantasie, evenals dat der gieren en raven.

Ik ben dus van dezelfde meening als Oskar Horn, dat alle mededeelingen over de beteekenis der windrichting bij de jacht op vogels op dwaling berusten. Doch deze stelling geldt weder met een zekere beperking, en wel niet wat betreft den neus, maar wel wat het oor betreft.

Het is immers een feit van algemeene bekendheid, dat men een geruisch veel verder hoort onder den wind dan boven den wind. De jager, die op eene vaste wachtplaats staat, behoeft zich dus niet om den wind te bekommeren, doch op de hoenderjacht zal hij verstandig doen, als hij reeds met het oog op zijn hond onder den wind blijft. In zooverre is de raad van een zoo uitnemend waarnemer der dieren als Oberlander l), dat een jager den parenden auerhaan onder den wind moet naderen, volkomen gemotiveerd. Doch de reden is niet hierin gelegen, dat de auerhaan kan speuren, maar omdat ieder geruisch beter gehoord wordt door den vogel, die zich onder den wind bevindt. Overigens wijst Oberlander ook op het scherpe gezicht der ganzen 2), en legt er den nadruk op, dat

1) Quer durch deutsclie Jagdgründe, blz. 73.

2) T. a. p., blz. 382.

Sluiten