Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoenders het bedrog bemerken met een vogelverschrikker in den vorm van een roofvogel, als deze niet te hoog is geplaatst. Hieruit zou men dus mogen besluiten tot het scherpe gezichtsvermogen der hoenders.

Ook Martenson wijst l) op het scherpe gezicht der watersnippen. Zoo zegt hij op een andere plaats: „Dat de eenden goed kunnen zien en hooren is bekend, dat zij ook goed ruiken, komt mij twijfelachtig voor."

De eenige vogels, die den indruk maken van te kunnen speuren, zijn — als wij den kiwi niet mederekenen — de merel, de snip en de specht.

De opperhoutvester Rothe heeft dit van de merel beweerd. Daar de merels zich thans zelfs in de groote steden volkomen op hun gemak bewegen, kan ieder zich er van overtuigen, dat hier eene dwaling in het spel is. Ontelbare malen tilt die vogel op een bepaalde plaats blad voor blad op en vindt — niets, een bewijs, dat hij zich alleen naar de oogen richt. Ditzelfde zou een dier met fijnen neus, zooals een hond, das, zwijn, enz., nooit overkomen; nooit zou het tevergeefs iets zoeken, als het dat gespeurd had. Met eenige oefening kan men ook de plaatsen, waar regenwormen gevonden worden, aan kleine hoopjes vuil en andere merkteekenen, gemakkelijk herkennen. Aan dergelijke uitwendige teekenen zal zoowel de snip als de specht de aanwezigheid van hun voedsel waarnemen, en wel door middel van de oogen en niet door middel van den neus.

Hieruit kan ook het anders onbegrijpelijke feit worden verklaard, dat men zoo gemakkelijk vreemde eieren onder de vogels kan leggen. Niet lang geleden kon men in de dagbladen het verhaal lezen van een raaf, die kippeneieren, welke een ondeugende jongen in de plaats van diens eigen eieren onder hem gelegd had, niet alleen uitbroedde, maar die ook dagelijks den

1) Wald, Wild trad Jagd in den russischen Ostseeprovinzen, blz. 83 en 78.

Sluiten