Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niets ware dus gemakkelijker, dan iemand, die beweert, dat hij kan speuren, te overtuigen van de onwaarheid zijner bewering. Daartoe zou het voldoende zijn, dat iedereen tijdens diens afwezigheid een voorwerp, dat hij bij zich draagt, een huissleutel, een muntstuk of zoo iets op tafel legde en men daarna van het wondermensch eischte, dat hij ieder het zijne teruggaf. Een hond zou dit zeker hebben kunnen doen; niemand kan een hond, die zijn meester diens pantoffels moet brengen, verkeerde pantoffels doen apporteeren. De speurende mensch zou dus onmiddellijk ontmaskerd worden, als de proef slechts met verstand werd genomen.

Wij mogen overigens niet uit het oog verliezen, zooals reeds herhaaldelijk is opgemerkt, dat wij gewoonlijk het gezicht en het gehoor der natuurvolken overschatten, daar ons bijna ongeloofelijk voorkomt, wat zij op de jacht kunnen volbrengen, terwijl het toch niet zoo heel bijzonder is. Het is vooral von Wissmann, die er de aandacht op vestigt, dat de Europeesche reiziger zich in den eersten tijd ontzettend verbaast over de scherpte der zintuigen van de natuurvolken, terwijl hij later, als hij zelf veel heeft gejaagd, tot de ontdekking komt, dat de oefening van het oog hierbij een voorname rol speelt (zie blz. 110).

Ook ontbreken bij de natuurvolken zoowel als bij de vogels alle kenteekenen, die dieren met een gevoelig reukorgaan kenmerken en die wij in de vorige afdeeling hebben opgenoemd. Zij hebben geen vochtiger neus dan wij, hun reukorgaan ligt veel te ver van den grond af, dan dat het geschikt zou zijn om te speuren. Nog nooit heeft men er van gehoord, dat men bij het bevechten van natuurvolken letten moet op de windrichting, opdat men niet vóór dien tijd door hen gespeurd worde (zie blz. 206).

Wat niet lang geleden over de zintuigen der wilden werd bericht, komt volkomen overeen met onze ervaring. Men leest namelijk het volgende : „Van de scherpte der zintuigen bij de

Sluiten