Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

des te geringer. De bouw van het lichaam is van dien aard, dat het konijn even snel zou kunnen loopen als de haas, toch zal het nooit de snelheid van de haas bereiken.

Katachtige roofdieren, die op boomen leven, kannen hun offer wel inhalen door groote sprongen, maar nooit door loopen. Het is geen edelmoedigheid, als zij na een vergeefschen sprong hun offer niet verder vervolgen, maar eenvoudig een „non possumus." Tot die dieren behooren de los, de wilde kat, de lui paard. Van een los, die een haas inhaalde, verhaalt Brehm in het tamelijk uitvoerige jachtbericht, dat, bij gelegenheid van het dooden van den laatsten los in den Harz, werd gepubliceerd l).

„Het merkwaardigst was wel de vangst van een haas, die door het achterste spoor volkomen duidelijk te herkennen was, in den nacht na 17 Maart. De haas had gezeten aan den rand van een jong dennebosch, dat grensde aan een uitgestrekte open vlakte. De los was in het bosch, waarschijnlijk onder den wind, naar den haas toegeslopen; de haas moet dat nog te vroeg hebben gemerkt, en was zoo snel mogelijk over de open vlakte weggerend. Toch had de los hem ingehaald, en wel door negen ontzaglijke sprongen van gemiddeld dertien voet."

Dat is iets zeer buitengewoons, want één der beste kenners van lossen, Noleken, verklaart dat hij nooit heeft gezien, dat een los meer dan drie of vier sprongen heeft gedaan.

Volgens de hier ontwikkelde grondwet is het dus geen toeval als die katachtige roofdieren, die niet of niet behoorlijk kunnen klimmen, veel beter kunnen loopen dan andere roofdieren, zooals b.v. de leeuw en de tijger. De groote zwaarte van het lichaam kan geen beletsel zijn, want beren kunnen, zooals bekend is, zeer goed klimmen. Ook het gewicht van den gorilla, die zich op boomen voortbeweegt zooals de mensch op den grond, is zeer

1) Deel I, blz. 495.

Sluiten