Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is algemeen bekend. Alle beroepen, waarbij het toeval een belangrijke rol speelt, leiden tot spel en tot bijgeloof. Dit nu is juist bij de jacht in hooge mate het geval. Nu worden vakuitdrukkingen van een bepaald beroep dikwijls door het volk overgenomen, waarvan een aantal voorbeelden kunnen gegeven worden. Dit nu is juist zeer sterk het geval met uitdrukkingen uit de jagerstaal. Zoo kan het dus geen verwondering baren, dat het woord „kievit" bij het skaatspel is ingevoerd.

Het skaatspel zelf is nog geen honderd jaar oud, doch reeds sedert eeuwen wordt in Duitschland kaart gespeeld. Zoo zou het dus mogelijk kunnen zijn, dat zeer oude speelregels, die nog niet lang geleden gepubliceerd zijn en die van een kievit spreken in bovengenoemden zin, werkelijk hebben bestaan.

Reeds vroeger wees ik er op (blz. 64) dat de wet der spaarzaamheid ook bestaat met betrekking tot de snorharen, en dat zich het bijzonder fijne gevoel der visschen en walvischachtige dieren waarschijnlijk heeft ontwikkeld ten koste van het gehoor (zie blz. 125).

Ik ben thans aan het einde van mijn betoog over de oogdieren en de neusdieren, en vraag den weiwillenden lezer, of al de hier vermelde feiten hem nu ook niet tot de gevolgtrekking leiden, dat er in de natuur oogdieren en neusdieren zijn. Ik meen zelfs, dat men met eenige oefening bijna altijd onmiddellijk kan herkennen, tot welke klasse een dier behoort. De dieren met bewegelijken neus, zooals olifanten, tapirs, neusdieren, wilde zwijnen enz. hebben zóó zwakke oogen, dat het den waarnemer onmiddellijk moet blijken, dat hun gezichtsvermogen slecht ontwikkeld is. Maar ook aan de beren, runderen, kameelen enz. kan men reeds uitwendig zien, dat zij slechte oogen hebben, vooral als men denkt aan de heldere oogen der vogels. Het is dus geen toeval, dat de oogen van hazewindhonden en herdershonden meer uitdrukking schijnen te hebben dan die der overige hondensoorten, en evenmin, dat geen enkel dier

16 *

Sluiten