Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met scherpe oogen in vrijen toestand manen voor de oogen heeft.

Ook is het geen toeval, dat alle lichaamsversieringen bij neusdieren ook voor zwakke oogen te herkennen zijn, zooals de strepen bij de zebra's, de gespikkelde huid enz. Die versierselen, die alleen door scherpe oogen kunnen worden herkend, zooals b.v. de kleine bonte plekken van den putter of distelvink of van het goudhaantje komen bij deze niet voor.

Wat is nu waarschijnlijker ? Dat de vos den jager niet waarneemt uit domheid dan wel uit zwakte van gezicht? Dat de ree niet tot twee kan tellen (en dus in het geheel niet zoude merken, dat haar een kalfje ontroofd is), of dat zij niet nauwkeurig kan onderscheiden of één dan wel twee jagers weggaan ? Dat de bever den jachthond uit domheid of door zijn slechte oogen voor een makker houdt (zie blz. 224) ? Dat gemzen, guanako's, antilopen uit domheid in verwarring geraken, wanneer jagers van verschillende kanten op ze aanspringen, of ten gevolge van hun zwakke oogen ?

Ik geloof, dat voor den nadenkenden lezer de keuze niet moeilijk kan zijn.

Sluiten