Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zelfs vogels worden jaloersch op menschen; Brehm verhaalt daaromtrent het volgende l): „Een papegaai, door mijn vader in een huisgezin waargenomen, was innig gehecht aan de dochter des huizes, terwijl hij zich niet alleen tegen vreemden, maar ook zelfs tegenover de andere leden van het gezin zeer kwaadaardig gedroeg. Al spraken deze ook nog zoo vriendelijk met hem, nooit gaf hij ze antwoord, en nooit nam hij eenige notitie van ze. Doch geheel anders gedroeg hij zich, als zijn beschermster in de kamer kwam. Hij kende haar stap en toonde zich bijzonder verheugd, als hij haar op de trap hoorde aankomen. Zoodra zij de kamer binnentrad, vloog hij haar te gemoet, zette zich op haar schouder en gaf door verschillende bewegingen en geluiden zijn tevredenheid te kennen, of babbelde, alsof hij zich met zijne meesteres wilde onderhouden. Als zij hem liefkoosde, beantwoordde hij die liefkoozingen, door zijne wangen tegen die zijner meesteres aan te drukken, en steeds liet hij daarbij vriendelijke geluiden hooren. Het meisje kon zonder gevaar met hem spelen; hij nam haar vinger in den snavel, pakte zelfs haar bovenlip zonder ooit van het in hem gestelde vertrouwen misbruik te maken. Als zijne meesteres afwezig was, was hij treurig te moede, zat rustig op één plaats, at gewoonlijk niet en was in één woord een geheel ander dier geworden dan te voren."

Deze mededeeling wordt bevestigd door een beschrijving, voor eenigen tijd gegeven van een verliefden auerhaan. Men leest daar: „Een dolle auerhaan verwekt sedert een jaar groot opzien bij Trifail in Beneden-Stiermarken en de bewoners noemen hem alleen nog maar den „dollen verliefden haan". Het dier bevond zich in den bronsttijd van het voorjaar bij een eenzaam liggend boerenhuis in het bergwoud; dagelijks liet hij daar zijn loktonen hooren. Het feit op zich zelf, dat hij zich zoo dicht waagt bij eene menschelijke woning, is niet zoo

1) Deel IV, blz. 73.

Sluiten