Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den bek ; is het een merrie, dan raakt hij hare schaamdeelen aan.

Nu is het dier zóó doordrongen van de lucht van zijn lichaam (en hij van die van het paard), dat het hem op grooten afstand en onder een groote menschenmassa kan ruiken en het huis vindt, waar hij zich ophoudt. Iedere Tschikos heeft natuurlijk zijn liefje, zijn „roos" rosza, (ook zij noemt hem rosza). Bij deze zoekt hij echter niet alleen liefde, maar ook bescherming en een schuilplaats; het is dus noodig, dat het paard in de eerste plaats op de hoogte is van die verhouding, het zal dan ook, hoe ver het van het meisje verwijderd is, door dik en dun alleen den weg naar haar toe vinden. Daar de ruiter meent, dat zijn paard al zijn woorden verstaat, spreekt hij steeds daarmede, fluistert het al zijne geheimen in het oor, waarschuwt het tegen vijanden, tegen vijandelijke plaatsen en kenteekenen en praat natuurlijk uren lang over al de bekoorlijkheden en de groote vriendelijkheid der geliefde, belooft het paard, dat het meisje het op gouden haver zal trakteeren enz. Brengt nu het paard den ruiter naar de geliefde, dan streelt en kust deze het paard en zoodra het met haar alleen is en eet, smeert zij het de uitwaseming van haren schoot om de neusgaten, en weet nu dat het dier ontwijfelbaar op ieder oogenblik den weg naar haar toe zal vinden."

Professor Jager herinnert daarbij verder nog aan de volgende feiten. Catlin verhaalt in zijn werk over de wilden in NoordAmerika, dat zij wilde gevangen mustangs op dezelfde wijze aan zich verbinden. Bovendien zegt hij, dat onze hondenfokkers dikwijls hetzelfde doen en steeds met volkomen zekere resultaten. Zoodra zij een hond krijgen, spuwen zij dien in den bek, wrijven zijn neus met de sokken der voeten, geven hem brood, dat zij met de uitwaseming van hun oksel of van hunne schaamdeelen hebben ingesmeerd, of laten hem slapen op hun vuile ondergoed enz.

„De uitwerking is", zoo zegt professor Jager, „gedeeltelijk

Sluiten