Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Recapitulatie.

Het resultaat van dit werk is dus in hoofdzaak het volgende. Daar bij de dieren de kracht der gewoonte een buitengewoon groote rol speelt en bovendien de bouw van hunne zintuigen dikwijls afwijkt van dien der menschen, terwijl alle schepselen met gevoeligen reuk zwakke oogen hebben, zoo zijn tallooze schijnbaar vreemdsoortige of onverstandige handelingen dit inderdaad volstrekt niet, als men ze van het standpunt van het dier beschouwt.

Indien ik, zooals ik vertrouw, deze stelling overtuigend bewezen acht, dan zijn de daaruit afgeleide gevolgtrekkingen van de grootste beteekenis.

Ten eerste, kunnen alle hier verklaarde handelingen dan niet meer als bewijzen worden aangevoerd voor het onverstand van het dier. Dat verder de resultaten niet in overeenstemming zijn met de leer van Darwin, en voor zoover het de natuurkeiis geldt, met de afstamming, daarop heb ik reeds gewezen. Als men had kunnen vermoeden, dat tallooze roofdieren neusdieren zijn, wier handelingen volstrekt niet beheerscht worden door hunne oogen, dan zou men nooit de beteekenis der kleuren als middel van aanval en verdediging hebben overschat. De jongen van auerhoenders, korhoenders, patrijzen enz. mogen al nog zoo veel in kleur gelijken op den grond, neusdieren, zooals de vos en de hond vinden ze toch.

Het slechte gezicht der in het wild levende dieren is met de leer van het overblijven der meest geschikte. Weismann, één der geniaalste vertegenwoordigers van het Darwinisme, heeft zich hieromtrent in een zijner schriften aldus uitgesproken 1):

Nadat hij gesproken heeft over de bijziendheid bij cultuurvolken, zegt hij, dat bijziendheid ook bij enkele onzer huisdieren, den hond en het paard, veelvuldig is aangetoond. „De dieren

1) Vortr&ge Uber Descendenztheorie 1902, Vortrag 26.

Sluiten