Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aannemen, zoo redeneerde men, dat de werkelijkheid onveranderlijk is. Maar wat is nu 't blijvende beginsel achter alle schijnbare verandering? Verschillende, zeer uiteenloopende antwoorden werden gegeven. Ihales dacht: alles is water, Heraclitus: alles is vuur. Geheel anders weelwas de meening van Democritus.

Deze leefde aan 't einde der 5<le eeuw en leerde, dat er alleen ledige ruimte was en zeer kleine stofdeeltjes of atomen, waaronder de fijne vuuratomen, die de ziel vormen. Deze vuuratomen zijn door de gansche wereld verspreid. Alle atomen bewegen voortdurend. Daardoor scheiden zich van alle lichamen schimachtige beelden af, die de gedaante hebben van het lichaam waarvan ze afgescheiden worden. Van menschenlichamen ontstaan dergelijke beelden ook en wel zoo dat die tevens de gedachten, niet alleen de gedaante hebben van het lichaam. Deze beelden zeggen ons de toekomst, maar goden of een god bestaat niet. Democritus achtte de waarnemingen onbetrouwbaar.

Het hoogste goed is opgeruimdheid zonder vrees voor

de goden.

Dit laatste donkbeeld heeft Epicurus later overgenomen en met een kleine wijziging ook de atomenleor.

Uit het voorgaande wordt begrijpolijk, wat Cic. de div. I, 5 en II, 120 en 138 uit Democritus citeert. Hoe echter hot citaat I, 80 met die atomenleor verband houdt, is niet helder. Voor de opgeruimdheid is furor ook niet bevorderlijk. Evenmin zijn I, 131 en II, 57 uit zijn beginselen af te leiden.

Daar op de vraag naar den grond dor verandering zulke verschillende antwoorden werden gegeven, was men eensdeels gaan twijfelen aan de mogelijkheid of waarheid bereikbaar was; dien twijfel voedden de soplusten. Maar Socratcs (evenals de eerste sopliisten, einde 5de eeuw) achtte waarheid wel bereikbaar in zuiver menschelijke aangelegenheden, schoon niet in physische vraagstukken. De sophisten schoven alle beginselen van goed en kwaad opzijde. Socrates betoogde, dat wel degelijk inzicht in

Sluiten