Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scepsis was aan Plato's leer vreemd. In de polemiek tegen de Stoa echter wapende Carneades zich niet slechts met ax-gumenten aan Plato's leer ontleend, doch ook met die der scepsis. Door het veelvuldig hanteeren van die wapens raakte C. er zoo goed mee vertrouwd, dat Plato's leer daarbij op den achtergrond geraakte. C. stelde niets te boek. Clitoinaclius van Carthago verbreidde zijn leer.

Aristoteles (384—322) wordt I, 81 en II, 128 geciteerd. Als hij gelijk Plato de Socratische begripsleer, zij 't ook op andere wijze, in systeem had gebracht, zoodat hij deductief de ervaringswereld uit abstracte beginselen afleidde, dan zouden we met zijn beginselen nader vertrouwd moeten raken om die citaten te begrijpen. Nu heeft A. wel een eigenaardige opvatting van de begrippen, maar hij had te veel oog voor de ervaring om vrede te kunnen hebben met een systeem, dat geen voldoende rekening hield met de ervaring. Zoo leert hij in zijn voorrede tot de zielkunde (de An. § 3, p. 402b, 25 Bekk.), dat elke bepaling van een ding, die zijn eigenschappen niet verklaart, zinledig is. Uit de ervaring, wil A. juiste inzichten putten; die juiste inzichten zijn 't einddoel der philosofie. Dit is een denkbeeld, dat gelijk Plato's ideeën ten slotte berust op Socrates' begripsleer. Buiten verband daarmee staan de citaten bij Cicero, althans dit verband is niet doorzichtig.

Cie. I, 81 gaat terug op Aristoteles' Problemata Sect. XXX, 1. A. betoogt daar, dat de toestand van de gal grooten invloed heeft op het talent der menschen '): beroemde staatslieden, philosofen, dichters waren alle zwartgallig of leden aan een ziekte welke uit zwartgalligheid voortsproot. Als voorbeelden noemt hij Lysander, Aiax, Bellerophon, Empedocles, Plato en Socrates. Hij tracht het feit op te helderen door een vergelijking met den invloed van wijn op lichaam en geest. Volgens de medici, redeneert A., zijn eenige chronische verschijnselen aan den zwartheid der gal toe te schrijven, die zich acuut voordoen na wijngebruik.

1) Vgl. Cic. Tusc. I, 80 Aristoteles i/uidem ait omnes ingeniosos melancholieos esse.

Sluiten