Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Stoïci spreken wel van Zeis docli bedoelen dan vuur of een warme damp : nvevficc nvQÜdes, a'i&rjQ (Vgl. Cic. 1,17). Dit is voor de Stoïcijnen een dogma: ze ontleenden het aan Heraclitus, die het als een natuurwetenschappelijke theorie had verkondigd. — Hier zien we dus dezelfde verhouding tusschen Heraclitus en de Stoa als tusschen Democritus en Epicurus. Wat eerst voor wetenschappelijk doel was uitgedacht werd later voor practisch doel aangewend. — Maar die godheid is ook Aóyog zov navtós („wereldrede") en intelligent, goed, rechtvaardig, zalig, volmaakt, nairjQ jidvtcov, (piAdvfroconos, kortom een wezen, dat zich naar twee zijden openbaart als stof en geest. De xoival ivvolcci pleitten voor dit geloof en zonder dat konden de Stoïci de physische processen niet verklaren. — De godheid bracht de wereld voort door noodzakelijkheid, doch ook vrijwillig krachtens haar natuur, zooals de eene plant de andere voortbrengt. Dus el/iccQ/tévt] (noodlot) = tiqovoIc (voorzienigheid). Zoo ontstaat uit de godheid (= aï&fjQ) '• vuur, lucht, water, aarde. Alle dingen zijn door menging -van die elementen ontstaan of liever: ze ontstaan er langzamerhand uit. Is dit proces afgeloopen dan treedt een ommekeer in, tot de aethertoestand weer is bereikt. Die cirkelgang herhaalt zich tot in 't oneindige. Daar het hemelsche en aardsche samenhangen, kan uit het hemelsche het aardsche worden voorspeld.

Niets is toeval, niets ontstaat uit niets. — De ziel (yv^) is aether, uitvloeisel van de godheid en door 't heele lichaam verdeeld, doch vooral in de borst, vanwaar de stem ontstaat en de ademhaling. De algemeen-Stoische leer neemt acht deelen van de ipv/ij aan: de vijf zinnen, de spraak, het ansQfia en de hoogere ziel of fjyefiovixóv, dat de andere zeven bestuurt en in 't hart is gezeteld. (Het anêQ/ict is een nvevfia tusschen 't fjyefiovixóv en degeslachtsdeelen).— Posidouius echte." (leermeester van Cicero) nam de psychologie van Plato aan; in plaats van een indeeling in acht dus een in drie deelen, (rede, affect, zinnelijkheid). Vgl. f, 60.

Sluiten