Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar verdedigden. Dan begint het gesprek. Nauwelijks is 't onderwerp waarover Quintus en Marcus Cicero zullen spreken vastgesteld, of Quintus neemt het woord en redeneert alleen door tot aan het einde van lib. I, waar M. Cicero nog een weinig zegt. De laatste zin is toevallig niet (of grootendeels niet) bewaard. Nadat Quintus de leer der Stoa heeft voorgedragen en de divinatio met logische gronden en historische voorbeelden verdedigd, voert Cicero in t 2de boek tegen dit standpunt Academische argumenten aan. Nu zwijgt Quintus, tot hij in § 100 verklaart zelf ook nooit datgene te hebben geloofd, waartegen Marcus tot dusverre had gepolemiseerd en dat terwijl hij de divinntio met zooveel vuur had verdedigd! Q. verklaart echter wel te gelooven, wat Marcus nog niet had weerlegd. Doch als Marcus nu ook het andere bestreden heeft en voorstelt er verder maar over te zwijgen, heeft Quintus er niets tegen. — De compositie is dus zeer zwak.

Tegen allen goeden smaak strijdt verder, dat Cicero zijn broer laat zeggen, dat hij Marcus' verzen met zooveel genoegen uit het hoofd heeft geleerd (I, 17). Ook zijn de voorbeelden bij de theologische stellingen wel wat heel talrijk. — Men moet echter in 't oog houden, dat Cic. de philosofie als bijzaak beschouwde en er over Stoïsche en Academische philosofie in het Latijn nog weinig leesbaars was geschreven. Daarom is zijn vlotte stijl dubbel te bewonderen. (Vgl. ook Schoemann, ed. de nat. deor. tinleit. p. 22). Lucretius, die veel meer philosofisch talent had, Klaagt meer dan eens over de patrii serinonis eg es tas. Eindelijk was Cicero al ruim 60 jaar, toen hij, nog onder den indruk van den dood zijner dochter Tullia, met zijne philosophische geschriften begon.

Ten slotte een enkel woord over de verhouding van lib. I tot lib. II.

Bock I is hoofdzakelijk Stoïsch, bock II Academisch,

Sluiten