Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ongetwijfeld kan men res divinae (de alleen schijnbaar toevallige feiten) zonder hnpetus divinus, dus enkel met redeneering, onderzoeken, door zich voor lichamelijke invloeden als overmaat of onthouding van spijs of drank te vrijwaren, maar in dat geval is er geen divinatio, doch gaat alles evenzoo als in de geneeskunde, veldheerskunst, landbouw enz. vgl. I, § 109.

Het zou belangwekkend zijn te vernemen, hoe Posidonius uitmaakte of men iets voor toevallig hield of niet. In zijn leer over het fatum moet Posidonius hier wel iets van gezegd hebben. In de lacune in 't begin van Cicero's liber de fato hebben zijn meeningen hierover waarschijnlijk gestaan *).

In allen gevalle had Posidonius, zij 't ook schijnbaar, aan de „redeneering" recht laten wedervaren en 't gebied van onderzoek (zeer vaag) aangeduid (zie ook de Aanm. op I, 118).

Men moet dus uit elkander houden eenerzijds de opvatting van Chrysippus en Antipater, die van de subtiele onderscheiding door Posidonius later gemaakt, nog niets weten en aan den anderen kant het systeem van Posidonius, die aanneemt 1°. een „divinatio" of „divina praesensio", welke 't zij uitsluitend door goddelijke aandrift de toekomst voorziet, 't zij door die aandrift, en redeneering te zamen; 2°. een „artificiosa non divina praesensio", die

dicuntur Graece d-cwpi'jfiaia, non cnim credo nullo pereepto aulceteros artifices versari in suo munere aut eos qui divinatione ulantur, futura praedicere.

1) Cicero kan best opzettelijk de uiteenzetting van 't verschil tusschen zaken, die men wel en die men niet toevallig acht hebben uitgesteld tot het boek de fato, waar hij Posidonius' leer wou geven, waarom die dus hier in de div. achterwege kon blijven. Dit is weer een indice, dat ook een der bronnen voor de fato niet -tept ftavnxys doch ji. 9eiöv van Posidonius was, d. w. z. hetzelfde boek als Cic. ook bij 't schrijven van 1. II de nat. deor. en lib. I de div. gebruikte.

Sluiten