Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

L1BEB I.

I, §§ 1—23. Cicero zet uiteen, wat verschillende volken en philosofen over divinatio hebben gedacht en leidt daarna de beide personen van den dialoog ten tooneele: zijn broer Quintus en zich zeiven. Cicero onderscheidt kunstmatige en natuurlijke voorspelling. De eerste steunt op waarneming en gissing en heeft betrekking op ingewanden van offerdieren, voortcekenen uit de vlucht en geluiden van vogels, en op sterrenwichelarij; de tweede, die betreft droom en en orakels, kenmerkt zich door geestvervoering en eon beweging van den geest zonder inwerking van buiten.

^ Vetus opinio est iam usque ab heroicis ducta tem- * poribus, eaque et populi Romani et omnium gentium firmata consensu, versari quandam inter homines divinationem, quam Graeci fiavTixtfv appellant, id est prae5 sensionem et scientiam rerum futurarum. Magnifica quaedam res et salutaris, si modo est ulla, quaque proxime ad deorum vim natura mortalis possit accedere. Itaque ut alia nos melius multa quam Graeci, sic huic praestantissimae rei nomen nostri a divis, Graeci, 10 ut Plato interpretatur, a furoae duxerunt. Gentem quidem 2

1. ut Plato interpretatur — Plato leidde paviiKij af van ftavia.

Sluiten