Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonder geluid, een onbestemd mengsel van voetengeschuifel en gegons van gedempte stemmen, éenig teeken van bewust leven in al die krioelende doodschheid, in al die sneeuw, heerschend overal, overal.

Doch eerst op den vlakken grond van het plein San Marco straalde de sneeuw in al haar oogverblindende zuiverheid en grootschheid; achter het gaas der vlokken rekten de lijnen zich uit, wijder en wijder, verder en verder. En aan de verste grens dier ruimte rees daar het reuzige silhouet der Byzantijnsche kathedraal wonderlijk en vreemd, met zijn moskeevormen en grillige spitsen, als een Oostersch droombeeld geworden in éénen nacht; met zijn verguldsel en bonte mozaïeken, als een gouden zonde neêrziende op zooveel zuiverheid; met zijn uitgewischte omtrekken, als een fata morgana in een woestijn van sneeuw.

En van uit de wijde portieken der kerk suisde een zachte, weeke muziek. Een enkele kerkganger uitgaande van den mond der kolonnaden, ontrustte een oogenblik die onverstoorbare witheid en verdween vervolgens in het rossige duister der portieken. Alleen een kleine, gekromde man bleef daar voor den ingang der kathedraal de sneeuw wegvegen, als een vlek uitgewasschen sepia; met witte sneeuwvlokken op hoofd en schouders als gespaarde lichten op een kantig begonnen aquarel; met een langen bezem, als een snelle penseelsliert vol ivoorzwart zich lossend op de sneeuw, den ganschen morgen lang.

Tegen twaalf ure hield het op te sneeuwen en daarmede hernam Venetië zijn gewone aanzien. Toen kwamen van alle kanten de duiven van San Marco neêrvallen van onder de beschuttende overhuifsels der kozijnen; met hunne kleppende vleugels veegden zij de lange lijnen sneeuw weg van de lijsten, in wolkjes stuivend poeder. Zij daalden in het bed van blanke vlokken, zoekend en wroetend naar ondergesneeuwde maïskorrels, of er zich in rondwentelend, rollend als blauwgrijze ballen, dons in dons.

Sluiten