Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van toen aan was het plein niet langer verlaten en

ongeschonden^

De kathedraal stond daar pralend in zijn vreemden dos, als verwonderd over zijn eigen zonderlingen opschik, met zijn vier bronzen paarden boven den ingang dragend een witte kap van wollige sneeuw; met zijn marmeren heiligen getooid met blanke aureolen om het hoofd; met zijn hooggekleurde boogvullingen in mozaïek gevat in lijsten van blinkend wit; in zijn geheel éen massa van goud en rood en grauw, gestreept en geplekt door schelle witte lijnen en vlekken, volgend in architektonische juistheid iedere welving, iederen voorsprong, iedere verhevenheid. Zij stond daar in den namiddag als een groot ontzien meesterstuk van suikerwerk, neêrziend op een verlaten en ontredderde feesttafel vol met vuile vlekken.

En tegen vier uur rommelde de muziek der stedelijke garde boven de plassige en glimmende plaats, bevolkt met bonte groepen van mannen, vrouwen en kinderen, weerkaatsend in den natten vloer als in een ouden en dofgeworden spiegel; en de duiven zeilden en klapwiekten door de vochtige en ongezellige lucht, en de muziek klonk uit de koperen kelen der speeltuigen als een droevige treurmarsch.

— „Zie!" klonk in een pauze de schelle stem van een jongen gekleed in een flodderig pak van zwart geworden linnen, met een bezem op den rug en een anderen op de borst saamgebonden door een tros touw, met oogen, glimmend uit een smoezelig gezicht vol roet als een kleine neger: „zie, San Marco heeft een witte muts op!

Een half dozijn paar oogen keken in de richting des zwarten vingers naar de koepels van San Marco.

— „Mooi, heel mooi!" — klonk het uit de monden der kijkers.

— „Heel mooi, maar eet er maar eens van," — zei een man die naast zijn schoenen stond en wien de honger uit de oogen en het naakte lichaam door de kleêren keek.

Sluiten