Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij sloeg zich met de handen tegen de schouders om warm te worden.

— „Hoor me eens zoo'n smulpaap" — hernam de kleine schoorsteenveger; toen trokken zich twee donkere strepen boven zijn oolijke oogen, als werd hij gezet voor een onopgelost vraagstuk. Hij zag den man aan, draaide met een zwiep van zijn lichaam en een zwaai van zijn bezems rond op de hielen en keek weder naar den tronenden heilige op de spits des gevels en naar de koepels van San Marco, die nog altijd prijkten met witte hoogsels, staande in een dommeling van wegvliedend licht, in een damp van smeltende sneeuw.

Toen zei hij: — „Doet niets, tóch mooi." —

En de vochtige roode lippen plooiend tot een punt, floot hij weggaande een aria uit de Trovatore, die de muziek was begonnen te spelen.

Sluiten