Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

langzamerhand zachter en eentoniger, aanhoudend en geruischloos vallend, overgegaan in een dreinigen motregen die als een natte damp hing op straten en pleinen. En met dat kille stuifsel van vocht daalde een eindelooze afmatting neder, door de kleêren heendringend tot diep in de ziel, de leegte daarbinnen vullend met een droevige verveling. In die nattigheid bleven de menschen ronddwalen als uitgeknipte marionetten, plassend in de modder, huiverend onder de glimmende schermen, herhaaldelijk terugkeerend op dezelfde plaats, niet wetend waar te gaan, met het koppige vasthouden van lieden die uitgegaan zijn om vermaak te hebben en niet naar huis toe willen.

In een der café's op de Puerta del Sol traden twee jonge mannen. Een dikke walmende geur van koffie, cognac en uitwasemende kleêren stroomde uit de groote, vierkante zaal naar de openstaande deur en sloeg hen in 't gezicht. Beiden bleven een oogenblik staan. Toen zochten zij onder de volte naar een plaats.

— „Oef!" zei een van hen, neêrvallend met een plomp op een stoel, „ik ben blij dat ik zit, wat een dagje."

— „Een dag als een andere," antwoordde de tweede.

— „Nu ja, dat weet ik wel," zei de eerste weêr, „een dag als een andere, maar die eeuwige regen."

— „Men zou met evenveel recht kunnen zeggen," hernam de tweede, „die eeuwige zon, 't eene staat tegen het andere. Ik voor mij mag regen wel, ik vind het opwekkend dat vallende water, het leeft en beweegt. Ik houd van dat gekletter boven mijn hoofd, dat gesuis door de lucht, dat springen om mijn voeten; het windt mij op, en "

— „Alles goed en wel," viel de andere in, „alles goed en wel, maar 't wordt op den duur toch vervelend."

„Wie en wat wordt op den duur niet vervelend?"

Beiden zwegen.

In het late uur, in het halve licht van een regenachtigen dag, was alles rondom hen in de zaal weggeslonken in

Sluiten