Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij ging vooruit, de bloote voeten bij iederen stap aan

deHe§Mn dzigzagfijnd'stijgende wegje, als bezaaid met kleine steentjes, werd aan weerszijden ingesloten door een dikke haag van cactusplanten, ineengeward tot een onnaspeurlijk aantal. Soms maakte zich uit den hoop een enkele tak los die zijn ellipsvormige bladen opstak in de lucht, aan en uit elkander gegroeid tot wonderlijke gedaanten, grillige overblijfsels gelijkend uit een vergane tijdorde. En om den stompen bovenrand van menig blad zaten de bleekroode vruchten naast elkaar, als roode aan een snoer ge-

regoi kralen, ee^ heertje,» klapte uit de hoogte de stem der deerne. Ze wipte vlug voort, telkens de voeten plantend op de minst steenige plaatsen.

In het rijzende zonlicht verloren de opslingerende cactusrijen iedere wijking en scheen het als waren zij hoog de een op de ander gestapeld. Uit de eentonige, in de zon groengele massa, kwam nu en dan het bleekblauw groen van een aloë, die zijn architectonische bladeren, uitwaaierend over het wegwalletje heen, naar den grond gekromd hield. En boven dat tinkelend spel van groengeel licht met de roode tikjes der vruchten, verbrokkeld en rommelig gehouden door de kantige schaduwtjes van blad op blad en op den grond waar elk steentje lag met zijn eigen schaduw, van achter den rug van den heu\el uit, kwam het krachtige blauwe hemelveld aanwelven met de glanzende strakheid van geslagen metaal.

— „Gaan we nog hooger, nina?1)" vroeg de jonge man.

Neen heertje, hier heen!" herhaalde zij, opnieuw

een zijpad nemend, dat nu een weinig daalde. Vervolgens bleef het langs de helling loopen, evenwijdig in de hoogte

aan den weg beneden.

„Hier!" zei ze eensklaps, met de hand naar eenige

') Meisje.

Sluiten