Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diepste diepte der openstaande woning en onder de krachtige beschutting der dikke, leerachtige cactusbladen scheen het licht niet te kunnen dringen; als dofzwarte floersen hingen de ingangen in den hellen bergwand; en op den grond aan den voet der cactus die de rij begon, lagen plekken schaduw met de krachtige kleuren van donker

glanzend fluweel.

In de koelte dier plant was de deerne gaan zitten met het geschonden gelaat; de breede schaduw die uitging van de dicht ineengewarde blaren viel haar over hoofd en romp tot op de knieën, waar zij uiteenbrokkelde op den grond tot een grillig gewemel van ronde schaduwschijven. Zóó zat ze met de voeten in het licht. In het zwarte haar weerlichtte het blauw van den hemel, de bruine kop van onderen beschenen door de zon op den grond, glom als rood brons, de verslonsde halsdoek herleefde in een gamma van geelachtig groen met doffe kracht in de plooien, en over de knieën lag de oude verfrommelde damesrok in een rust van bleekblauwe schaduwkleuren.

— „Blijf zoo zitten, nina," riep de schilder die de kueite verliet en haastig zijn verfdoos opende.

Van uit de bergholte kwam een zacht, schril gekreun, toen zweeg het, bijna onmiddellijk gevolgd door het zeurige gezang der jonge moeder die haar kind in slaap zong.

De schilder was al reeds verdiept in zijn arbeid. Voor hem stond de opengeslagen verfdoos, tegelijk dienend tot schildersezel; telkenmale boog hij zich naar den grond om dan op te zien, naar het in de schaduw zittend meisje.

Zoo verliep een tijd in groote stilte. De oude vrouw vlocht half soezend voort, en de twee kinderen lagen languit op den grond te dommelen. Toen begon het klagend geluid weder.

— „Ga uit den weg," klonk het uit de holte; de jonge vrouw kwam naar buiten, op den arm een klein ingebakerd kind dragend en aan de vrije hand een gescheurd waterkruikje. Ze bleef een oogenblik achter den werker staan,

Sluiten