is toegevoegd aan uw favorieten.

Proza

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De schilder was opnieuw op zijn stoeltje gaan zitten en riep: „Ga weêr zitten, meisje, en schuif wat dichter in de schaduw."

Het werken begon nogmaals en daarmede de stilte. Achter den rug des jongen mans kwam nog een poosje het fluisteren der beide vrouwen, toen verstierf het. Het bijna onhoorbaar geworden geklaag van het gekke kind verloor zich in de ruimte, als meêgonzend met het groote gegons der overal onzichtbaar ronddwarrelende vliegen, wier geluid de lucht vulde als waarde er een dwalende echo rond van veel vèr sprekende stemmen.

— „Schuif, als het kan, nog een weinig in de schaduw, nifia," zei de schilder, 't gaat niet."

Maar het gekreun van het mismaaksel begon weder. Om zijn hoofd zwermde nu een heir van vliegen in bedrijvig gewarrel, schutterig opvliegend, zich verplaatsend om zich vervolgens opnieuw vast te hechten aan mond en ooghoeken, op elkander gekropen tot zwarte vlekken. En in de zon was dan het kwijlende gat van den openstaanden mond grooter en afzichtelijker en de lijnen der oogen rekten zich, wrongen zich in een afschuwelijk spel.

Het meisje zat nu bijna geheel in het licht, over haar schouder begon de slagschaduw van den kop een scherpe lijn te trekken.

Immer bleef het wezen zitten wiegelen in de zon. Het groote hoofd lichtte en vlamde, nu deinzend, dan weêr wederkeerend, als een helsch visioen dat elk spoor van orde en regelmaat scheen verloren te hebben. Vreesaanjagend met de beklemming van een nachtmerrie zat het daar, schommelend op de gekruiste beenen, zijn arme geslachtlooze naaktheid uitplooiend in het rauwe, tergende licht.

En telkenmale gleden de blikken des jongen schilders over dat stralende gedrocht of bleven daar wijlen als vastgekluisterd nan zooveel glanzende ellende. Dan met eene groote poging hervatte hij zijn arbeid.