Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vlakke hand op de wang slaande. Toen zat ze als vroeger stijf neêrgehurkt onder de cactus. En van uit de holte kwam regelmatig als een klokketik, het bonzen, saamklinkend met de stooten van het gekreun.

Het moest nu bijna middag zijn. De plantenzoom om het wegje dat hoog boven de ingangen kronkelde, begon lange, donkere schaduwen omlaag te zenden. Men zou gezegd hebben, donkere zaksels vloeistof op blinkend papier.

Van oogenblik tot oogenblik werd de werker onrustiger. Hij scheen zijn voorbeeld vergeten te hebben en te arbeiden naar iets dat niet meer bestond. Telkens rees hij op, zijn werk op een afstand beziende, om dan weêr half op zijn stoeltje neder te vallen, hier iets veranderend, daar wat wijzigend, om vervolgens opnieuw op te rijzen.

— „Dwaasheid!" mompelde hij tusschen de tanden.

— „Is 't afgeloopen, heertje?" vroeg de deerne, terwijl zij zich het warme haar uit de oogen streek.

— „Ga," zei de schilder knorrig.

Toen met een krachtigen stoot van zijn voet schoof hij de doos achteruit, zocht in den zak van zijn jasje een sigaar en begon snel te rooken; achter hem waren de vrouwen gaan staan; ook de slungelige meid was geeuwend uit het huisje gekomen.

— „Barbiaan," ') zei de jonge moeder.

— „Se parece. Que féa," 2) zei de slungel.

— „Bueno, féa, féa," zei de deerne die voorbeeld geweest was; ze bleef met de lippen klappen.

De schilder had het drietal even aangezien, nam toen uit het duimgat van zijn palet een dikke kwast en veegde met haastige hand de studie door elkander.

— „Och, heertje," riep de mottige meid.

Maar deze had zijn gereedschap reeds bij elkander ge-

') Mooi.

*) Het lijkt, wat een leelijkert.

Sluiten