Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het lichaam bijna geheel weghield, en telkens kwam het hoofd op, en daalde dan weêr neer, met een doffen smak vallend op de harde rots. Soms bleef het daar een wijle omlaag en schuurde zich het voorhoofd langs den steen, en dan werd het steunen heftiger en ging over in een wild janken, evenals of het kind toornig was geworden om de hardheid der stof, die hem belette zich daarin te begraven. Maar dan kwam het weêr naar boven, het gelaat vertrokken tot een carnavalsmasker, vreemd en huiverig van verschijning als de ziekelijke uiting van een overspannen brein en dan zonk het hoofd opnieuw omlaag, om neêr te vallen op den harden drempel.

— „Och," had de schilder gezegd.

— „Es tonto," zei de deerne, „het doet hem geen pijn,

heertje, es tonto."

Maar haastig had de jonge man zijn boeltje opgenomen en weggaande riep hij: „tot morgen."

— „Als het morgen regent, kom ik op de Puerte Real, riep de jonge vrouw.

— „Goed. Adios."

— „Vaya Usted con Dios," ') groette ze terug.

— „Zal ik u den weg wijzen?" vroeg de mo.ttige.

— „Gracias," was het antwoord.

Snel daalde het pad omlaag, al sneller en sneller dwong hem de helling tot gaan; de cactussen vuurden en vlamden in de zon en hielden hunne stekelige armen naar voren; de grond wierp klare stroomen licht terug en omhoog 'den hemel in 't gezicht, die hel glansde, strak en onbewegelijk achter haar koperen huid; overal zon, overal licht, overal om den jongen schilder die voortholde met zijn 'verfdoosje aan de hand, armzalig vluchtend voor het licht.

Maar op den grooten weg gekomen ging het langzamer. Aan zijn linkerhand lag nu het dal van de Darro, als vol-

') Dat uwe Edelheid met God ga.

Sluiten