Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

witte oneindigheid. Boven den zoom der glooiing kwamen de toppen van fijne boompjes, staande langs een laan welke men nauw zag, die met het ijle gewriemel van hun geraamten het kleurlooze veld omboorden als met een rag, zooals een fijne witte kant dat doet aan het witte doodskleed van een rijk overledene. In een teêr lila maakten zij zich los uit de sneeuw, blank en blond en bleek, rustig en zacht, als kalme, pijnloos gestorven kinderen. Terwijl daarachter in de wijde ruimte, verstrooid hier en daar, dichtbij of vèr, enkele zomerwoningen uitstaken met besneeuwde daken, als verafschuwde lijkenloodsen verlaten staande, die hun hardkleurige stijve murenmassa's schril en rauw werpen kwamen tusschen de smettelooze tonen van den winter.

Naar voren, in de richting van den steeds voorttrekkcnden stoet, boven de grens der wijdweg blauwende vlakte, glimmerde van onder de effen grijze lucht een dofgele, waterige streep licht, die tusschen de boomen doorspartelen kwam, de takken naar het einde saam- en ineenloopen deed in een krachtig gamma van grijs en blauw tot purper.

Maar toen de begrafenis gekomen was aan een groote met muren omheinde ruimte, even bezijden den weg, verbrokkelde de orde. Een trap kwam in het midden van den geel gepleisterden muur, leidend naar een kolonnade. En de stoet klom op als een bende die haast heeft. Boven de hoofden der dooreendringende mannen en jongens zag men door de zuilen heen een andere trap, hooger dan de eerste, die op haar beurt leidde naar een plat waar een kapel rees, een hard geel gebouw met namaak van romaansche bogen onder een groot rond stralenraam en met versierselen van dezelfde soort. Onder de bogen wandelde een in 't zwart gekleede priester die zonder opzien las in een gebedenboek, het boek voor zich uit, de armen scherp in 't gewricht gebogen tegen het lichaam aangedrukt. Hij kwam en ging, herhaaldelijk en herhaaldelijk.

Sluiten