Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich heen, beukend naar alles, er hier een jagend over de schutting waar deze nauw zich redden kon, met gillen van angst in de drommen van geluiden overal boven en

rond hem. .

— „Wat een beestje, wat een heerlijk beestje, herhaalde de boer, in delirium.

— „Vooruit, roodneus, wees maar niet bang!" jouwde de jonge man naar een lansdragenden ruiter die onder voorbij reed.

Deze lachte met een groven lach, smeet zijn hoed in het zand, wees met een theatraal gebaar naar den stier, en weg draafde hij, met het bungelende staartje in den hals.

En de stier viel opnieuw aan met gekromden nek, met roodsmerige hoornen, met zwellende flanken die glommen van een nat zweet. Diep donker glansde het boven op de schoft, waar het bloed vloeide en kleefde uit dc wonden der lansprikken. En de ruiter leunde met alle kracht op zijn speer, perste het beest af met geklemde tanden, en men zag zijn muskels zwellen, dik worden onder zijn gebogen arm. Maar het beest woedde en bonkte met den harigen kop, en de weêrstand van den arm viel voor den moker van zijn voorhoofd.

Toen sprong het paard op, sloeg met de achterpooten in de lucht, rekte met den langen schraal gespierden hals, geschud door het monster dat rondwoelde en werkte in zijn weeken buik. In een oogenblik tilde het ros en ruiter van den grond, op de draagkracht van zijn hoornen, en met een voorwaartschen zwaai van den kop, met een dronken blikkeren van zijn oogen, bliksemde hij ze neer, vóór zich, in het zand.

Bewegingloos, met de armen voor zich uit, bleef de man liggen achter zijn paard, dat scharrelend zich overeind trachtte te zetten op de voorpooten, doch weêr omkeilde door een feilen stoot in de borst; maar opnieuw beproefde het ros zich te heffen, bekneld door den zadel,

Sluiten