Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de koddige, onnoozele buitelingen van een kalf. Telkens stootte hij met de hoornen naar de bonte stokken in zijn nek, en weêr hoorde men het toornig gesmoorde loeien. Eindelijk rende hij voort als dol van pijn, met de zeilende stokken potsierlijk bengelend langs zijn schoft, en in een dood paard begroef hij den rooden kop, geweldig stootend in den ontzielden hoop en in het zand, dat als een lichte nevel steeg om zijn hoornen en om het doode ros.

— „Muy bien, muy bien, Guerrita," i) schreeuwde de jonge man.

— „Bravo, mijn jongen," jubelde de boer, „over twee jaren zult ge staan tegenover een anderen stier, en gij zult

hem dooden."

Beneden zijn oogen ging de banderillero voorbi) op een sukkeldrafje, met wuivend handgebaar dankend voor de toejuichingen. Nu en dan bukte hij naar den grond, wanneer een sigaar van boven gesmeten, voor zijn voeten viel in den loop.

En als hij dan opzag, zag hij weêr een anderen banderillero staan springen in het perk, vervolgens snel wegloopen onder het neêrhagelende jouwen en fluiten. Maar de stier had de vervolging in het midden gestaakt, aangetrokken door de capa van Frascuelo.

Stevig op de voeten, met de oogen in de oogen van het oranjeharige monster, stond de wijnroode torero achter den gelen lap, die hij met gestrekte armen hield voor de hoornen. En de stier bukte, viel aan, de torero zwenkte half om op den hiel, klapte met den mantel, en het monster stoof voorbij langs hem henen, voortgestuwd door zijn eigen vaart; toen zwaaide het vervolgens weêr om, met een snelle, dribbelende verplaatsing van het lenige achterlijf, en stond een andermaal gebukt voor de hem voorgehouden capa.

In een bloeddorstige stilte, met ingehouden adem, volgde

') Zeer goed, zeer goed.

Sluiten