Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laan van het landgoed, tusschen hoog opschietende olmen en beuken, en al wandelend gleed zijn hand langs het lage hout tusschen de stammen der boomen, nu een rot blad wegplukkend, dan een dood takje afbrekend, dat hij vervolgens nogmaals doorbrak, tusschen de vingers met een luid knapje.

— „'t Blijft maar droog," zei hij zonder opzien.

't Was een duistere dag geweest vol met beloften van regen. Boven de laan van boomen kon men de wolken voort zien jagen in de lucht, een driftigen warrel van voortgejaagde grijzen, waterige massaas van damp verbrokkeld en voortgestuwd door een hoogen wind.

— „Zeg," vroeg de jongste, „waar moet ik eigenlijk naar gaan kijken?"

— „Dat zal je wel zien," zei de hovenier leuk; om zijn grooten mond kwam even een stille vette lach en een glimp van loosheid schemerde in de opkijkende oogen.

— „Ga je mee Gerrit," zei hij in het voorbijgaan tot den tuinknecht, die in den tuin waar de kas stond, neergehurkt was tusschen de bloembedden, „ga je meê, de nachtcactus bloeit vannacht!"

vIk kom baas," klonk het terug van den knecht die

al kwam aanloopen.

BZe is nog niet heelendal open, zie je wel," begon

de baas weêr, toen ze de kas waren binnen gegaan waaruit een dampige geur van bloemen hen tegenwaaide, „'t is nog te vroeg."

— „Nee nog niet heelemaal," zei de gast.

Hij was bij het binnenkomen dadelijk stil blijven staan bij de bloemen, de wenkbrauwen opgetrokken van bewondering voor de plant, die op de verhooging onder de ramen in de bladaarde stond.

Er waren twee bloemen aan de veeltakkige, stekelige cactus. De zorgvuldige hand van den hovenier had de lange, slangachtige geledingen gewrongen en geleid langs een stellinkje van in de aarde gestoken stokjes. Boven

Sluiten