Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door den tuin gedaan, en langzaam aan begonnen de dingen weer geheel te vallen in zijn oogen. Hij liep in den boomgaard, onder het loof van oude knoestige appelboomen om wier stammen ruigten woekerden van grijsharig mos en hij schopte met zijn voeten de afgevallen vruchtjes langs het zand, gele schrompelige vruchtjes, gekleurd met het slappe hooge geel der verdorring.

.. .Ja, opklimmen moest men leeren langs de smartelijke treden der bijzonderheden naar het eigen groot begrip

't Was nu bijna donker geworden toen hij weêrtusschen de rijen der kistingen liep. Het grauw van den komenden nacht vulde den geheelen tuin. De bonte bloemen lagen verzonken op den grond, gedoofd tot een saamgeloopen kluwen van kleuren, waaruit het hoogste rood en het blankste wit der wilde phloxen uitspringen bleef, klankrijk nog in het donker,

— „Jan, zou je voor je weggaat, daar niet nog wat gieten?" hoorde hij den tuinbaas zeggen, „we zullen van nacht nog geen regen krijgen."

— „Ja baas." —

„Zoo, ben je daar?" zei hij tot zijn gast die hem te gemoet loopen kwam. — De knecht was bezig gieters met water te vullen aan het houten pompje naast de schuur. Met hun beiden bleven ze staan kijken naar het water dat met dikke gulpen kwam, opgezogen uit den grond onder de krachtige slingerslagen; zwijgend pompte de knecht door; klaterend viel de stroom water in het leêge metaal; borrelend met een dik opzingend watergeluid liep de gieter vol om dan over te loopen met het gebruis van een zwaren regen.

— „Help me onthouen dat we van avond de nachtcactus nog eens gaan zien," zei de hovenier ineens. —

Daar klonk een bellend gelui uit de schemering, harde klepklanken met een verweerd klokgeluid, en van voren en van achteren kwamen er klokgeluidjes luien door de lucht, dichtbij, vèr en verderop, 't Was de klok van zeven

Sluiten