Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Net zoo," meende de knecht.

— „Nou, willen we es gaan," vroeg baas van D., „ik heb nog een lange wandeling voor de borst.

— „Ja, dat 's goed, — gaan jullie mee?

Alle vier stonden op.

— „Dus van D., je weet het wèl, vroeg de tuinvrouw,

geen glaasje boerenjongens?"

Nou geef dan maar op..." en staande, met een

teug, dronk hij het glas leeg, dat de vrouw hem in-

De knecht kwam op zijn kousen weêr binnen; hij had een lantaren in de hand, en deed het kaarsje er in ontvlammen met een half afgebranden lucifer dien hij aanstak boven de lamp; achter elkander gingen de vier mannen

,0e" ".Nachfvïouw!" zei baas van D... die he, laats,

b'Met de oogen nog vol van het licht der kamer, traden ze in het dikke donker. En alles was weg. Om hen huiverde de zwarte nacht, die eenig heerschte, groot

n 11ppn

Ze liepen op. Langs den grond schoof en danste de lichtkrans der lantaren, die de baas, vooruitloopend, droeg in de langs zijn dij schommelende hand. Het licnt ging vlottend meê langs het pad, een regelmatig gestraald, dof, rood licht, een in vieren gedeelde lichtkring, door de lange uitwaaierende schaduwen die de roedjes der lantaren wierpen in den wijd wegdoezenden rossen cirkel. Ze gingen den stal voorbij. Een matte gloor vloog even tegen de deuren van het koetshuis en wiegelde weer weg, toen de tot een reus aangegroeide schaduw van den tuinbaas er voorbij duisterde; maar weer kwam het licht op den dikken boomstam bij het zandhok, het gleed den gladden beuk henen die een schilferig uitzicht kreeg in het vage schijnsel, toen zonk de boom weer achter hen weg tot een stuk van den nacht. Broksgewijs, bij

Sluiten