Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „En is er morgen niks meer van te vinden?" vroeg de gast even glimlachend.

— „Nee, morgen is ze verslijmd, heelemaal versmolten, in zijn eigen sappen verslijmd, begrijp-ie, net as- een slak waar je zout op gedaan heb."

— „Er is je toch wat raars in de wereld," meende

baas van D...

De hovenier had zich schrap gezet tegen de deurpost en kauwde op zijn tabakspruim met een malende beweging der ksken.

— „Heb je veel meloenen gehad?" vroeg hij.

En 't gesprek verliep weêr naar de droogte. Natuurlijk en van zelve kwamen zij er op terug hun leed te klagen, over en weêr zeurend, alles herhalend, maar eindelijk eindigde van D..:

— „Nou, 'k dank je wel, baas, ik mot weg.

Met een ruwen stoot van zijn voet vloog de deur der kas open; een dikke gulp frissche lucht bolde naar binnen en schuurde ritselend langs de planten.

— „'t Wordt al koud 's avonds," mompelde hij, tegen den nachtwind huiverend.

Ze traden naar buiten.

— „O, de lantaren," zei de hovenier.

Hij nam het licht terug uit de hand van zijn gast, die op zijn beurt de lantaren hoog hield boven de groote schitterende ster.

— „'t Is een heerlijke bloem," sprak hij opgetogen.

— „Is 't niet," zei de baas, 't is jammer dat het volk 't niet zien kan, er is geen vlekje aan, je zou zoo zeggen dat 't marmer was, 't is precies een blom uit een spreukie."

Snel had de andere even naar hem opgezien en toen verlieten ze de kas.

— „Ik zal je den tuin uitbrengen, van D. .. " ^hernam de tuinbaas, „je kan geen hand voor oogen zien."

En stil gingen ze weêr achter het slingerende licht aan;

Sluiten