Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op den pas schommelend ging het langs de dij van den hovenier, het merkte opnieuw de breede knieplooien om het gewricht van zijn been, of het lichtte op den bulterigen bobbel dien de sterke knieschijf gedrukt had midden

in de broekspijp.

Ze sloegen links af een laantje in. .

„We gaan den kleinen moestuin langs, klonk de

stem van den hovenier in den nacht sprekend.

— „Zou u je niet vasthouden," vroeg van D... aan den gast die op den tast af achter hem aansukkelde met de onhandigheid van een stadsmensch die het groote duister niet kent, „je loopt anders het bosch nog in." —

— „Zeg dat wel," zei deze lachend terug. Hij deea met de hand een greep naar de jas van zijn voorman.

— „Geneer je niet, ga je gang maar." —

De baas hield de lantaarn even hoog op, om zijn gast de takken te laten zien die over het wegje groeiden.

In de schemering van dansende vlekken laf licht, voor zijn oogen uit, tegen de brandige vlamglanzen die schuw flikkerden over dunne stammetjes, of dan weêr een warnet van takjes even begloeiden, zag hij de schimmige mannen gaan, achter het forsche stuk donker aan dat de rug des hoveniers uitstalde op het rosse schijnsel; 't was een rustige, vertrouwelijke rug, gemoedelijk gebogen, met een stevige welving boven de schouderbladen.

Ze kwamen in de groote laan.

Als in een donkeren tunnel schoof de lantaarn weer voort met het spokige kruislicht op den grond. Het donker was koolzwart geworden, het drong tegen de geopende oogen aan, ze verbijsterend tot volslagen blindheid en ae gast voelde zich of hij onder een dik gewelf liep. Maar aan het einde der laan zag hij even daarna, rustgevend, een geelrood lichtje pinken; als met een dofrood floers, als met een tooneeldecoratie eindigde de laan: t was de petroleumlamp op den straatweg; het silhouetje van net buitenhek stond er donker tegen uit.

Sluiten