Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II

Elf gesmoorde metaalslagen waren aan komen waaien uit den verren dorpstoren en nog altijd zat de gast van den hovenier in de tuinmanswoning te soezen onder de lamp; alles in huis sliep den stevigen slaap van den voornacht, na een dag tobben in de open lucht.

Hij zat te rooken, met het hoofd lui achterover tegen het tochtschot geleund. Een tijdje had hij zitten lezen, nu lag het boek weêr vóór hem op den rand der tafel, en als na een lekker eten, vol rustig genot, was hij aan het dommelen geraakt, vaag kijkend voor zich uit. De nacht rondom was gedrukt, zwijgend van een zware stilte; er hing een plechtigheid om de tuinmanswoning als was zij een altaar in een hooge en stille kathedraal.

Als alle avonden, na den goedennachtswensch, en de vermaning die er gewoonlijk bijkwam van goed op het licht te passen, was hij om tien uur alleen achtergebleven met de zwarte huiskat, ineengerold naast zich op den stoel. Het beest lag te slapen met den kop tusschen de pooten, weggedoken in zijn zachte huid.

Vermoeid van het lange staren in de lampvlam, had hij al gauw zijn oogen gesloten, en zoo bleef hij stil zitten wippend met de voeten; en in zijn hoofd droomden de gedachten, kalm en gelijkmatig kwamen ze op de eentonige maat van den tiktak der klok.

Stoorloos, stoorloos was de nacht. Hij voelde de loomheid er van dringen in zijn spieren, zijn leden van krachteloosheid bevangen; maar warm wolkte de tabaksrook om zijn hoofd en in de narcotische prikkeling die hij opsnoof door de neusgaten leefde zijn verbeelden heviger. Zoo bleef hij onbeweeglijk, in het heerlijke gevoel van alleen zijn, in de lekkere verdooving van zijn lichaam, onder het genot van de machinale werking zijner hersens, die de indrukken verteerden, natuurlijk, evenals een maag de ingenomen spijs.

Sluiten