Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stuk, op het natte strandzand. En hij steeg met hen naar de poorten op, tusschen de opkronkelende poorten in, waar de schildwacht zwijgend zat op zijn steenen bank; hij had de wijde broek gemakkelijk opgesjord in het kruis en joeg den rook uit zijn kiffpijpje, uit een kleinen rooden kop en dikken rieten steel met gouddraad omwonden, door zijn wijde neusgaten heen, onder zijn zwartkijkende en star peinzende oogen door. Zijn lang geweer met koperen loop en omgebogen pistoolkolf stond onder de greep van zijn hand. En verder dwaalde hij in die wonderlijke stad, tusschen het bedrijvig gewemel van veel menschen die bij den dag leven .... hij slenterde weêr tusschen het bonte gekleur van veel natiën, saamgestroomd aan de poorten van het weelde-belovende Oosten; van den zwarten, kleinschedeligen Etiopiër, langs den rechtop wandelenden berg-Arabier, die het roode foedraal van het hem onmisbaar geweer als een tulband windt om de geschoren kruin van zijn lang-mageren, fanatieken kop; langs den geelhuidigen en vuil gekaftanden Jood, die zijn rijkzijn verbergen moet en met neêrgeslagen oogen loopt; langs den ijdelen en donker uitzienden Spanjaard, die deftig doet als een Oosterling; langs den kortharigen Brit met zijn blond vleesch en koude oogen; langs den stevig gerugden Noorman, wiens kaken log uitgegroeid zijn en wiens kauwspieren dik, van het vele eten. En hij klom hooger de heuvels op van de stad, naar het marktplein dat leêg liep en waar de ezels en honden los doolden in het achtergebleven vuil; hooger op zag hij de kolossen der kameelen staan, zwaar en losgepakt tegen den nachtwordenden hemel; ze kwamen uit het binnenland, diep uit het hart van het Oosten en hadden de weeke weelde meêgebracht op hun monsterige ruggen. En nog hooger klom hij, waar de graven zijn, hij zag de vrouwen zitten, vormloos, weggesluierd in hun dikplooiig wit opperkleed, neêrgeknikt onder het takkengestekel en gewaaier van aloës, biddend bij hun dooden, droef gebogen, klagelijk

9

Sluiten