Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

saamgeplooid, onderworpen nog voor hun doode meesters... murmelend hun: „Allah Akbar, God is groot."

En als hij dan opkeek, zag hij, tusschen de plantenarmen door, plassen van het blauwe, lage watervlak en de heuvels met hun kleinoodiënkleuren, en de golvend gekartelde slanglijn van den ringmuur om de stad, en de witte blokken, stapels van bordessen op elkaar, met het geheele Kasbah, het optronende paleis van den grooten heer: het blanke visioen van een afrikaansche stad vliedend onder een komenden nachthemel zonder licht. O, wat was dat alles nu vèr, weg waren de ruwe kanten, de harde indrukken, ze bestonden niet meer,-ze waren uitgesleten in het weeke liefhebben der droomende herinnering, alles was zoo vèr en zoo mooi en hij zou het wel nooit weêr terug zien.

Zoo gingen soezend de minuten voort, en rondom de tuinmanswoning zuchtte de nacht haar smartelijke stilte uit, en het tikken der klok was als hamerslaagjes, als het koortsige kloppen van een menschenhart.

Slaperig opende hij de oogen. Hij zag de couranten netjes opgevouwen en tot een dik stapeltje gemaakt, liggen op de tafel. Toen vielen zwaar zijn oogen weêr toe.

Daar kwam de torenslag, 't was twaalf uur; de slagen rekten zich lui uit en galmden slaapdronken na in zijn hersens, 't Geluid kwam weerbarstig, als verbrijzeld tegen een dampkring zwaar van water, verstrooid geraakt en moeielijk voortgestompt door den dikken nacht. Werktuigelijk was hij begonnen te tellen: „ééne, tweeë, drieë," 't was of het onderste gedeelte van zijn lichaam weggenomen werd, en een gevoel van waaiende spinraggen ging over zijn voorhoofd, over zijn oogleden en over zijn wangen; „acht, negen," herhaalde hij, „acht, negen, acht,

negen," ging het al stiller en verder van hem weg

toen sliep hij met het hoofd tegen het tochtschot en met den zwarten kater ineengerold op zijn knieën.

Sluiten