Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewegingen van zwart, gestalten die voortschoven onder het geroezemoes van licht.

En in eens herkende hij waar de droom hem gebracht had. Hij was in de hoofdstad en de hoofdstad vierde feest. Hij herkende de straat waar hij was, hij voelde het asfalt ervan gladgeslepen onder zijn voeten. Tusschen de elkaar opstootende menschendrommen waarin hij zich meê voelde gaan, zag hij stukken van den vloer, geelrose vlekken onder het net van lichtjes, die een stralend dak vlochten boven zijn hoofd. Want overal zag hij lichtjes, kleine, weinig glans gevende lichtjes, maar die in hun duizendtallig zijn gloeiden tot een gewelf van vuur; over de straat vlogen ze in kruislijnen, guirlandes ervan hingen zwaar gebogen over de geul der smalle straat, van den donkeren muur tot den donkeren muur. Opwaarts en over elkaar heen, torsten ze in hun samentreffing, kronen van dubbele rijen gloeiende pitten, rood en wit en blauw geschilderde glazen; het dikke vet lag er troebel op den bodem in, en één voor één hingen ze in een ringetje van gevlochten draad, zwart streepje op den lichtenden wand van elk glas. De winkels waren weg, de deuren en uitstallingen gesloten, gebarrikadeerd en dichtgespijkerd met planken als bij een oproer. De ondergevels en winkelpuien geleken stomme, strakke dijken, die versterkt en opnieuw gelapt, den woedenden stroom moeten binnen houden.

Maar naar boven, boven de lichten en geluiden uit, daar gloeiden de vlaggen en trofeeën, opbrandend. Donker kwamen ze dalen, neêrgelaten uit den donkeren nachthemel; de roode banen zakten bloedrood aan en verschroeiden boven de guirlandes tot een rauw oranje, de wimpelstrooken verbrandden tot licht rood, het blauw vergroezelde tot groen en het schemerend wit purperde, met bleek rose op de plooien. Op den luchtstroom van beneden bewogen al die kleuren zich als op een licht geblaas.

En overal over de in lichtheid wegwolkende lengte der

Sluiten