Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voelde hij den heeten adem van eene vrouw wademen in zijn halskuil. Daar begon een man te zingen, dat was de deun, de lijzige deun, en als aangestoken begon ieder mede te zingen: de mannen in de gekleede jassen, de vrouwen en meisjes als dames gekleed. „We gaan niet dood, we gaan niet dood!" zong het om hem, fatsoenlijklollig en heesch-krijschend en opgeblèrd en uitgebruld ging het van hem weg. „We gaan niet dood, we gaan niet dood:"... gerekt en onafgebroken herhaalde zich de deun over de hoofden heen, onder de festoenen van lichten door. Er liep een groote, stevige man voor hem, zijn sterke schouderbladen puilden door zijn nauwe gekleeae ias, en die rug zong meê, de uitzetting der longen zwol door het laken heen. „We gaan niet dood" zong hij met een vette stem, zijn rug wrong zich in de plooien, hij troK gezichten; dan geleek hij op een doodskop en dan weer, als de schouderbladen bewogen op een grooten vlinder. Maar moê zweeg het gezang, en het lange gesijfel van slijpende voeten bleef breed sluipen langs den vloer.

En eensklaps voelde hij toen zijn armen vrij worden en ruimte komen voor en achter. Een frissche gulp luc: t kwam van boven neêr in de benauwing; hij zag naar ue vlaggen; hij zag de lichtspatten op de vergulde knoppen en de lange snelle strepen der vlaggestokken; t geleken groote vaste spelden die de decoraties vastprikten; toen wierp de stroom hem uit. Hij was op een plein.

Daar kon hij ruim ademhalen. De vurige monding der straat met zijn brand- en feestkleuren in de hoogte lag achter hem, en van onder braakte de zwarte vloed donkere gestaltetjes, als stukken modder, als verbrande sintels uit. Ze stoven weg over het plein of vielen weêr terug in de

wielende woeling.

't Was dadelijk donker geworden. Voor zich zag hij net gevaarte van een toren opspalken, zwaar staan uit den grond en zich uitleden en wegschuiven met den kop in den nacht. „Waar ben ik?" vroeg hij zich af; hij wist het niet, al

Sluiten