Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en blerde het rood, piepte en gilde het wit en bomde het donkere blauw samen met het geduister van het dennegroen en met het gepurper der schaduwen; en uit en in den gelen smook, uit en in elk dampend feesthol, door de dreunende vreugde, onder het kleurenboffen der vlaggen, en van achter de als borsten bolstaande tochtgordijnen, opgeblazen door de pret daar binnen, kwamen de snelle flaplichten vliegen van glazen en flesschen, groeiend tot een gelui van lichtjes, schielijke en korte glasflitsen op de rinkelende kristallen luchters.

En in de zingende volte der straat daar zwaaiden en ijlden losgelaten en bezeten schepsels, wilde wezens in de kleuren voort; geslachtloos schenen ze; mannen in vrouwenrokken en vrouwen als mannen vermomd, in witgestijfselde jakjassen en in onderbroeken, oranje geverfd met afkooksels van fernambuk en provinciehout. In een rammelende armelui's vermomming staken zij; met den dollen en bonten smuk van hun grove vinding was hun lijf getooid; de uitingen van hun beschaafden barbarensmaak hadden ze met het plezier van kinderen en klein gebleven geesten over hun arme lichamen uitgestrooid. Want overal hadden ze strikken en kokardes en linten en bandelieren. Tot aan de randen der broekspijpen pronkten ze met sieradiën, gekocht voor weinige centen, met oud verknipt goed, sprekend en opzichtig gemaakt in potten kokend kleursel, en toen dagen vooruit zelf geplooid en geschikt in noesten en opgetogen vlijt. Vermaakte nachtmutsen van wonderlijk fatsoen, of papieren steken als de mutsen van boetelingen met kleuren bevlamd, zwierden op hun hoofden, hingen over de tronies, schuin op de losse haren.

Zóo hadden zij den geheelen nacht gedanst en genoten en gezwermd, dc straten vullend met het plezier van hun vrijheid, en in de tuchteloosheid der feestwoede hadden ze zich vertoond tot in de rijke wijken. En nu vol van drank en pret klotsten en dansten ze hier, den nacht uit. Met afgezakte kousen op de grove schoenen stampten

Sluiten