Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun voeten onvermoeid de straat. „We gaan niet dood, we gaan niet dood," gilden ze in het georgel der deunen. En onbeschaamd, als thuis, wierpen de vrouwen het hoofd in den nek, er. toonden de naakte stukken van hun keel en borsten, en lagen in de armen der mannen, vol en zalig die, dronken als zij, bot lachten met den breeden mond en haar bewuifden met takken van dennegroen.

Maar woest opbonkend met de hoofden vooruit, schreeuwden en brulden zij dan hun hi, ha! hi, ha! en weg donderden ze weêr. Een steeg zwolg ze in; de deun echode in de steenen gang; en boven den warrelenden klomp van oranje en wit en donkere haren, slierden en vlogen de ballons aan de stokken en trokken vurige strepen, kringels en bollen van licht tegen den uitgang der steeg die blauwde in den kil komenden morgen.

En aan het einde, uit een anderen steegmond, daar kwam weêr een andere bende zoeken het geroezem van het gele gas. Zij kwamen naar hem toedraaien, hun armen sloegen de lucht, ze wuifden met de vingers naar het licht en wrongen de lijven-lijnen in de dierlijke drift van hun onverzadelijkheid. Achter hen aan liep een man met een groote vlag, een geverfd beddelaken was het, en op de punt van den stok was een groote aardappel tot een knop geprikt, de flarden van het verscheurde omwoelsel van goudpapier hingen er als vellen bij.

Voor de dwarse baan der oranjevlag, dwars gehouden door sjorrende handen, kwamen de bezetelingen aantuimelen in hun bont carnavalspak. Als beestenmanen zwiepten de haarbossen op en vielen over de oogen en rafelden en sloegen uit elkaar op het schudden en kantelen der hoofden, die rood en gezwollen van drank en pret alle waren doorboord met het zwarte gat van den zingenden mond. Zoo daverden en rolden ze voorbij, langs hem, en walgend rook hij den drankwalm die uit hun kelen rookte.

Maar verder op daar voelde hij zich in eens in een heerlijke ruimte en lucht; de straat was weg en de drenken-

Sluiten