Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als het razen van een troep bedronkenen, die in hun roes hardop droomen.

Daar stond nu de verrukking van al die menschen te verkillen in het vroege licht, de oogenlust van dat nu zoo uitgeputte volk, met zijn groote liefde voor kleinen en bonten smuk. Hier had het den geheelen nacht gezied en gekookt en geborreld.

De wind huiverde in de flarden. De wijde vlakte van den Dam was geheel verlaten. En met zijn oogen dwaalde hij de huizen langs, de monden der straten in, tot in de hartaderen der stad; ook daar was het stil, doodstil; het rood der vlaggen blauwde in den hangenden schemer, donker als stilstaand bloed.

Toen, het plein in zijn slapende bontheid, in zijn wanorde van dronkenschap latend, zochten zijn oogen het oude stadhuis. Nog nooit had hij het zoo mooi gezien. Het stond in 't gezicht van al die kleinheid en versnippering; barsch, eenkleurig en somber, als een reus van ernst, als een stuk steen-geworden zelfbewustheid en trotsch van rijzende kracht. Machtig stond het in het hart der stad nu, in den ijlen morgen, gesloten in zijn lange blokkenorde, met een geweld van wil neergeploft op den grond. Lang zag hij het aan en ontzag daalde uit die hooge donkere steenheid diep in hem neèr. Hij moest de poorten zich zien rekken langs het grondstuk, hij zag den gevel breed en in zijn lijsten zich verfijnen en stijgen blijven zonder verlies van kracht; hij zag de gevelspits kroonen en het kroonstuk als neêrgeklapte vlerken schutten en bergen een schat van vinding; hij zag den toren opgaan en boren naar de lucht; maar neen, daar zwenkten de lijnen van den koepel terug, van onder tot boven stond de reus massaal, gesloten in zich zeiven, gedrongen in zijn eigen kolossaal zijn. Ja, dat was groot, dat was groot, dat stond vast in den dag en in den nacht.

En met een opkomend gevoel van kracht boog hij toen de armen vooruit, haalde de longen vol, zijn mond ging

Sluiten