Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik heb weêr een paar gezellige dagen doorleefd met het bladeren in de geschiedenis der lotgevallen van dien vernuftigen Hidalgo Don Quijote de la Mancha, zeker wel de kuischste en dapperste ridder die ooit ter wereld bestaan heeft. Een paar dagen heeft dat heerlijke hersenwerk van Cervantes weêr stil in me gewoond, ben ik op en neêr gegaan in den frisschen adem van dat prachtige kind zijner intelligentie. Dan zat ik stil te lezen onder de lamp en hoorde ik mijn zuster zeggen: „kijk nou leest-i zeker wat grappigs, want nou lacht-i zoo." Maar ik heb nog een ander apart pleziertje gehad; toen ik die twee bekende dikke boekdeelen in hun stuk gelezen en met striemen en kleuren besmeulden omslag

terug ontving, zag ik mij zeiven oogenblikkelijk weêrom, zittend in den holder-de-bolder van een Spaanschen derdeklas-wagen, de knieën opgetrokken, daarop het boek en met de voeten tegen de voorbank. Maar toen waren die verfomfaaide boeken waar ik nu zooveel van houd, nog net zoo frisch als een geestigheid van dien dikken Sancho Panza en het captoor nog niet ontluisterd en gehavend als eens de betooverde helm van Mambrin, die in de profane oogen van zoo een bloedrijken en snuggeren schildknaap al zijn leven lang een scheerbekken gebleven is en dat nog wel zijn zal; want de Sancho's sterven niet, alleen worden ze van jaar tot jaar minder geestig. Neen, die vlekken zijn van later; want ook mijn twee

Sluiten