Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tering, maar zacht wiegen er woorden van wijsheid tusschen den krulligen omhaal van zijn verrukten geest.

Ik weet wel dat ik dit gedeelte altijd met graag genoegen herlees, ik weet niet of ik gelijk heb, als ik daar de eerste sporen vind in dat boek, hoe later uit dien volslagen gek, uit die schepping van grooten lachlust, langzamerhand een ongelukkige groeien zal, een hoog opgevoede geest, een zonderling die dikwijls een ziener wordt, onder de sublieme bedoelingen van zijn schepper.

„Caballero, un molino, un molino a vento, caballero," hoorde ik achter me zeggen. Een poosje te voren was er een reiziger ingestapt. We zaten nu met zijn tweeën in den wagen. Ik zag om. 't Was een stevige boer die voor het raampje stond. Hij droeg de breedgerande sombrero van de Spaansche gezeten boeren. Uit den inham van zijn laag uitgesneden vest kwam het witte overhemd met een boord zonder das, en onder zijn vest vandaan puilde om zijn buik een roode gordel, die hem nog dikker maakte. Hij keek tevreden naar me om. Ik zag in zijn vollemaansgezicht twee kleine guitige oogjes stralen die dicht bij elkaar kropen. De trein naderde, geloof ik, Tembléque. Ik boog me uit het andere raampje en zag de roode woestijn hier en daar bestreept met gele rijen, strepen afgesneden koren, als regels van stoppelige bossen stroo gestoken in het zand. Als ik langs het hoofd van den boer heen keek, werd het veld langzaam-aan geler, een dor gele volte werd het, bar geel in de groeiende zon, en daar midden-in rees de stompe kolos van een molen met een van stroo gevlochten dak, als een muts van vreemd fatsoen bovenop den steenen en geringden cylinder, waaruit de gaten der vensters als donkere oogen staarden.

Aan den tegenovergestelden kant van den windsteller sloegen de armen der wieken in de lucht; van onderen rustten zij op het land en zooals ze nu stil waren en elkaar bedekten, en 't was alsof er maar twee wieken

Sluiten