Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijn poes, en dat is de trek waarom ze 't huis uitloopt.

Drie dagen was ze nu al weg, de Bohémienne.

Waar zou ze zijn, waar, waar?

Wat was het hier goed, wat was de kachel goed, de warmte goed. Ze gaat lustigjes langs 't hard ijzer der pijpen op, teêr aan te zien trillert ze op, snel ijlend kringelt ze fantasieën om de pijparmen; ze stijgt in het laag gebalk, ze wemelt tot een rookje in het goud geschijn om de lamp. Zoo vult ze den zolder, mijn domein, met loom gedroom, zóó wekt ze begeerten naar voortbestaan in zoel gemak, waarbij men zich de handen wrijft; wat zou mij de groote dood buiten maken kunnen, wat de winter met zijn tirannie van ijs, weefde hij daar niet in een gril van zijn opperste bekoring mijn huis met bloemen vol?...

Waar zou ze zijn, waar? ...

Zou ze liggen tusschen de stammen der boomen, tusschen de stammenmasten in den tuin hiernaast; of zou ze liggen in het droog-knappend gekreupel, dood gevallen uit een hoogen boom; zou ze daar liggen, krom op de aarde of weggezakt in het vaalrotte loof? Dood, dood, gevoelloos voor koud en naar weder, en voor mijn roepen doof....

Of zou ze liggen, lang uit, plat in het leêge land, in het witte gras; zóó klein, zóó niets, dat niemand haar meer zal vinden; dood gestrekt in de al-koude winden, in een kuil dien een paardenhoef sloeg toen 't nog zomer was.

Vermoord ....

O, mijn kleine, mijn koningskat, als ge zóó dood zijt, als ge zoo moet verdwijnen, dan zal ik u bouwen uit uit mijn harteschat een ruim rein graf, een mausoleum van ijslijnen.

Daarvóór is heel de hemel mijn, zoo hoog en koud hij mag schijnen, ik zal er van nemen ijslijnen en weven een wade om uw kleinheid fijn. Met gebloemt van de

Sluiten