Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kou, met sneeuwgeontblader, met dons van rijp en met briljanten van ijs, kom ik u dekken, zal ik u strekken in mijn doodenpaleis.

Daar is 't gewulf van blauw kristallijn, en daar zullen sterren en doodsvlammen zijn ....

Wat was dat? Neen, deze maal bedroog ik mij niet. Dat was miauwen en dat kwam van dichtbij, van achter

de deur. Opgesprongen, de deur opengerukt. Brr wat

een ijskou, de wanden zijn wit, de straatdeur staat aan. Opengelaten. Maar daar zat ze op 't vloermatje. O, klein, wat klein. Brr.... wat een ijskou. Ze staat niet op. Ze knipoogt tegen het helle licht uit den zolder. Wrevelig en een beetje haastig stap ik over haar heen en geef haar een stootje met de punt van mijn schoenvoet. A la. Zacht, ze gaat al, naar binnen, mager, enkel vel.... Ze gaat onhoorbaar, met kleine schokjes in 't gebeentetje der schouders, net als een arme slokkerd doet die een zwaar geladen handkar voor zich opduwt. Brr.... Holderdebolder de trappen af, de deur met een smijt toe, dat de glazen rinkinken in den vriesnacht.

Boven. Daar zat ze, midden op den vloer, de door de kou geslagene, ijselijk in het licht, de twee voorpootjes naast elkaar geblokt op den grond. Rechtop zat ze op den zoom der schaduw van het doek op den ezel.

Was dat mijn poes, mijn kleine poes? Neen, neen, dat was een vreemd beest, een oud beest, een verloopen beest. Waar waren haar jonge oogen, haar klein kinderronde oogen? waar haar mooi vel met de glimmende runen? waar haar ijdele staart, en waar, waar het heerlijke fluweel van haar oortjes? Neen, verdoemd, dat was een vreemd beest. Dat keek niet meer, dat schuwoogde, dat waren de vage oogen van een zielig mensch, overgeplant in een vreemde omgeving. Dat was ziek gekijk, niet dat van mijn beestje,.... verdoemd.

Miauw!.... wat een vèr geluid Dat kwam nog uit

het land, dat kwam nog van de straat, en 'k had het wel

Sluiten