Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezien, het bekje van binnen was niet rood meer, maar blauwwit, nachtwit, winterwit, doodwit

Miauw! „Schei uit, beest. Schei uit, of'k jaag

je weg"....

In mijn stoel en aan 't redeneeren: „waar kom je van daan? waar heb je zoolang gezeten hé?"

— „Heb je geen honger. Al drie dagen staat daar vleesch en brood en melk, waar ben je geweest in al die kou, naar beest."

— „Kom dan maar hier. Ben je koud, daar is de

kachel. Kom je niet?"

Toen heb ik haar opgenomen, getild naar mij op en op mijn knieën heb ik haar gezet. Ze woog bijna niet meer. Ze was enkel koud vel, met een armzalig levenden kop er aan, het haar voelde stug en koud.... het zachte gedons onder den buik was aan elkaar gekleefd en tot piekjes bevroren.

Wat was ze stil, wat was het stil, wat was de nacht groot en de kou overal....

Zacht voelde ik mijn hand gaan over het vel van mijn beestje en toen is stil een groot leed komen opzwellen naar mijn oogen.

II.

— „Kom, Louis, sta nu eens een beetje stil."

— „Ja, mijnheer Ko," zei hij onderworpen.

En 't was weêr een poosje werkstil in mijn atelier. Onder het daklicht, tegenover mij, stond de jongen poseerend voor zich uit te kijken, de handen in den zak. Zoo had ik hem eens voor de deur zien staan als straatventer van lampeglazenwisschers en komfoor-treeftjes, en ingepakt dadelijk door zijn mooi openluchts-uiterlijk, had ik hem overgehaald bij mij als model wat geld te verdienen. Dat deed ik nu al een tijdje, 't was wel een goedkoop model, maar 't ging maar niets.

Sluiten