Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu stond hij daar. Hij haalde met een luien ruk zonder de handen te gebruiken, zijn broek die met een touw om zijn heupen hing, op, en keek vervolgens uit de blauwe oogen schuin, op zijn gemak het raam uit, naar de groote lucht, in de wittige zon, waarin droge sneeuwpluisjes als losgestoven donsveêrtjes, men weet niet vanwaar zij komen, voorbijgingen aan het raam.

— „Neen, Louis," zei ik.

De jongen keek den zolder in naar mijn gewerk en een onnoozel-slimme lach spleet het rood van zijn zinnelijken jongensmond vaneen, de wangen poffend; maar eer ik goed opkeek was die lach weggemoffeld met een lippenbeweging alsof hij hem snel inzoog en stond hij zoetsappig voor zich uit te kijken. Ik wist al lang dat de schooier me uitlachte. In zijn vlagen van losbandige onverschilligheid had hij me meermalen gezegd, hoe zot hij het vond zich zoo af te beulen op zijn bakkes.

Maar opnieuw zochten zijn oogen verstrooiing en hij zei:

— „Ze hèt 't leelijk te pakken."

Hij sprak van de poes, die in elkaar gekrompen zat in de kussens van den rieten stoel onder het raam. Gisteren was ze den geheelen dag onrustig geweest en had haar bedorven maag en ziek lichaam rondgesleept door den zolder; maar nu bleef ze stil, wilde niets eten en drinken; suffend zonder slapen zat ze kleintjes, soms met lustelooze oogen kijkend naar mijn bewegen.

— „'t Is toch een lief beestje, 't is toch jammer."

De schelm. Zooeven had hij mij gezegd dat ik haar maar dood moest slaan; hij wou 't wel doen, hij wist de huid te verkoopen voor zestien stuivers.

— „Kom poes, gaap eres," zei hij, in eens uit zijn onbewegelijkheid schietend, en met het gele borsteltje van een lampewisscher begon hij 't beest aan den neus te kittelen.

Ze schoof stom achteruit bang voor het gele gedrocht.

— „Wil je het gauw laten, hè."

Sluiten