Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan het dotje van een rouwstrikje op zij van zijn pet, toen kwam hij overeind, eerst de eene arm, dan de andere.

— „Ik kan er anders wel teugen, ziet u, maar twintig borrels dat is toch te veul, wat zegt ü nou?"

— „Jij liever dan ik."

— „Wat?" schoot hij snoeverig uit, zich ferm en recht makend, „de broer van Jan drinkt er wel dertig."

— „Wie is Jan?"

— „Wel Jan, dat is de baas van het danshuis waar ik wel es speul, u weet wel."

— »° 'a-V L ,

— „Een goeie man die Bram, die houdt veel van me,

maar hij heeft al twee maal een toeval gehad; hebt u dat wel eens meer gehoord, menheer, de vlam sloeg hem de keel uit, van de hitte van binnen, van de brandende jenever!"

Er ging een ribbeling door het vel onder zijn oogen en zijn woorden kwamen uit zijn mondholte zacht en bang, toen hij nog eens zei:

— „Nee, 'k wil ze niet meer." —

Maar dadelijk zijn angst verjagend, verzette hij zijn dunne beenen en kletste voort:

— „We hebben samen al wat een lol gehad, want 't is wat een goeie man. Hij mag me graag. Ze magge me allemaal graag. Weet u nou hoe dat komt?"

— „Nee? Ziet u, dat komt omdat ik altijd zoo vroolijk ben. Ik ben altijd vroolijk, ziet u. Ik maak m'n moeder altijd aan 't lachen, ziet u. Laatst toen mijn vader zaliger stierf, heb ik er nog aan 't lachen gemaakt. Ze zei teugen me: „Louis, wil je nou nog niet eres je ouwe vader voor 't laatst gedag zeggen .... en ze huilde zoo.... ik zei, ja moeder.... en toen ben ik naar zijn bed gegaan bij ons in de wagen.... ziet u . ... en ik heb gezegd, „nou dag vader, 't ga je goed." Toen is mijn moeder beginnen te lachen. O god, ze lachte zoo.... ik dacht dat ze mijn ouwe weêr heelemaal levendig lachte-

Sluiten