Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pen en met zijn armen te doen; met een ruk had hij zijn pet schuin gezet, en met grooter oogen kijkend naar mij om, riep hij, „kijkt u, zóo." Hoe hij ging in den roodwalmenden kermisnacht, in de bolle opwinding van muziek overal vandaan, in het vette gegeur van goedkoop oliegebak, overal in de lucht, een lollenden menschentroep vooruit; bezetenen van vrijheid en jenever als hij, die op zijn harmonica zagend, in de ruimte zijn hoog heesche jongensstem voor zich uitstuurde, zingende: „Och meissie, wa bè je lief en skoon." En dan zag ik hem weêr, dan sprong en rees er uit zijn afgestompten jeneverkop, uit zijn winterdofheid, zijn loutere jonkheid op, soms als een straal spattend uit een aangeslagen vuursteen, soms tot een breedheid van vlammende verbeelding gaande om hem, komend voor het geslobber uit van zijn luien gang; en er was iets heel ongewoons, iets heel frischs in zijn vuile stem, als hij dan neerviel op zijn stoeltje en zijn groot verlangen naar den ruimen zomer uitzuchtte: „'k wou dat 't maar weêr voorjaar was."

Maar als hij, zooals nu, aan 't vertellen sloeg van zijn gezwerf, van zijn nachtbraken en van zijn gauwdievenhistories uit de stad, dan schoof er vaak tusschen hem en zijn naar diefstal en jenever ruikende vertelling, plotseling als een staak uit den grond, zijn groote angst voor de politie; dan bleef hij in de war gebracht staan, stom, met nog pratenden mond, alsof een vuist hem had gegrepen van achteren in den nek, en hij zweeg, zweeg, begon nog eens stotterend, maar sloeg dan aan 't liegen, dat hij 't zelve geloofde.

Och, liegen, dat wist hij niet wat het was, hij loog uit gewoonte en uit lust om te liegen; als een artist te midden van zijn materie, stond hij vaak midden in zijn jokkerijen. Dan verstrikte hij in zijn eigen verzinsels, en eer het verhaal gedaan was had hij zich wel tienmaal versproken. Deed ik dan maar, en dat was voor het werken het verstandigste, of ik alles geloofde, dan voelde hij dat niet, sloeg door,

Sluiten