Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Kijk, kijk ze wil er af. Kan je wel, poes?" spotte de jongen. „Wil ik je een gatje geven?"

De kat was opgekomen en probeerde voorzichtig te dalen van het kussen, 't lijf stijf voorover geheld, den staart slap achter haar aan; zei haar instinkt haar dat ze er morgen niet meer zou kunnen afkomen? Ze aarzelde, taste met de pootjes onder zich en liet zich eindelijk zoo gaan. De nagels haakten en krasten weerstrevend langs 't afgezak van 't stoelkussen; maar ze viel zacht op den vloer, zonder geluid begon ze dadelijk te stappen, maar niet wankelend, de pootjes nog klauwend aan den grond.

En als een slaapwandelaar die niet ziet of hoort, maar recht voor zich uit gaat in de zekerheid van zijn droomenvisioenen, ging ze, op den grond bewegend, onder mijn hooge oogen voorbij, tusschen den jongen en mij door, den ezel langs, recht naar de deur.

— „Ze wil er uit," zei hij.

— „Neen, ze zoekt de frischte."

Ze was al bij de deur. Daar stonden twee schilderijkisten als armelui's doodkisten, wit houten plankenbakken, ruw en ongeschaafd. Ze stonden schuin geheld tegen den wand daar, met de losse deksels, geleund voor elkaar. En zij schoof de donkere sleuf in, in de gaping er tusschen, de staart stak er nog uit, doch ook die verdween. Maar even daarna kwam haar kopje weer schemeren, ze had zich omgedraaid, zooals een kat dat doet in zijn nest.

— „Laat haar maar met rust," zei ik tot den jongen.

— „God ja, 't is wat een lief beest; 't is toch jammer."

Ik zette een schoteltje water voor de kisten-opening,

zieken zijn dorstig, — maar toen weêr aan 't werken, men kan zich toch niet altijd bezig houden met een zieke kat.

Buiten voor het raam was de sneeuw aan 't dwarreldansen begonnen, in een schuin-gekruis, in een opgezweef en neêrgewemel van witte vlokken, en een bleek geschemer kwam schaduw sproeien in de ruimte van den zolder,

Sluiten