Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sluierend het raam, als een scherm van dun gaasdoek dat doet voor de lichtschuwe oogen van een doodzieke.

III.

• Twee dagen zat ze daar zoo in den donker, zonder beweging, zonder een geluidje van lijden, klachtloos te sterven in haar zelfgekozen hoek. En ik moest wel dikwijls naar haar komen zien, al wist ik toch wel telkens hetzelfde te zullen vinden; het schemerende hoopje, het ziek haargeglim in het kistendonker en het smartgeglimp van haar vèr naar binnen schouwende oogen die stom in zich zeiven leden.

Eenmaal nog, den derden dag van haar ziekte, had ik haar gestoord en haar opgebeurd met de hand zacht onder haar borst, en haar gezet bij het raam op haar oude plaats. Er was een goed buurvrouwtje komen kijken en die had het oude hoofd in het zwart wollen winterkapje boven haar geschud, en gemeend had ze: het zouën misschien de tanden zijn, daar gingen veel poesen en ook veel kinderen aan dood; en gezegd had ze: van de natuur die haar loop moest hebben, want je wist toch maar niet wat je aan zoo'n beest moest doen. Maar wat later, ze was al weg, was de poes opgestaan en had beproefd te dalen van het kussen, maar 't ging niet meer; dus had ik haar moeten zetten op den grond, voorzichtig, bang om haar zeer te doen. En dadelijk was ze aan het loopen gegaan, wankelend nu boven haar klein gestap,-*en halsstarrig was ze teruggekropen tusschen de kisten, koppig saamgehurkt in haar sterfhoek, norsch gesloten in al haar kleinheid, maar klachtloos als een sterke man die onverzettelijk in den toorn om zijn lijden gesloten loopt.

En buiten lag al dien tijd de sneeuw die de geluiden meeneêmt en de voorbijgangersvoetstappen tot onhoorbaarheid dooft, -'t Was een Zondag, de vierde dag van haar ziekte. Als ik beneden kwam zag ik het pad lang gaan,

l

Sluiten